In 020 moet ik aan de bak. Daar ga ik mijn eerste fatsoenlijke marathon uitlopen. Het trainingsschema — waarbij ik uit ga van een finishtijd van drie uur en een kwartier — ligt al op me te wachten.
Rennen. Krak. Rennen. Krak. Rennen. Bang voor krak. Rennen. Krak. En toen was ik het helemaal zat. Het trieste cirkeltje van een poosje hardlopen en telkens opnieuw in de lappenmand belanden bedoel ik.
Als je er de Bijbel op naslaat lees je dat het in de hel allesbehalve aangenaam vertoeven is. Zwavel. Vuur. Heet. Maar dat laatste is niet waar. Niet altijd tenminste. De hel kan ook koud zijn.
Als er bij ons een huisdier gaat hemelen dan verwachten mijn kids dat ik op zijn minst een uitvaartliturgie schrijf én een emotioneel afscheidslied componeer.
Natuurlijk praatte ik maar een beetje rubbish en was er helemaal niks van waar van wat ik tegen B. had gezegd. Ik bedoel, in gedachten had ik deze race al 100 keer gelopen.
“De meteorologische winter is voorbij”, zegt de vrolijke stem van de weerman op de radio. “Nou, dan wordt het hoog tijd dat je dat ook even aan het weer zelf vertelt”, denk ik.
God pakte z’n laptop, startte Adobe Photoshop en vergreep zich aan het saturatie-schuifje van het groene kleurkanaal. Zou Hij zich af en toe ook de pleuris zoeken naar die ene verstopte Photoshop-functie?